In de zomer van mijn zestiende levensjaar ging ik voor het eerst écht op vakantie. Dat wil zeggen: ik was eerder wel op vakantie geweest – een paar keer naar België en één keer naar Duitsland – maar het grote verschil zat ’m in het gevoel. Het moment kan ik me zelfs nog precies herinneren.
Het was een hete zondag in Zuid-Frankrijk, niet in een heel toeristisch deel. Ik stond midden op een verlaten dorpsweg. De luiken van veel huizen waren gesloten en er stond geen zuchtje wind. Zo’n zomerse dag waarop je het branden van de zon op het asfalt lijkt te kunnen horen. Tegelijkertijd werd ik overspoeld door een overweldigend gevoel van rust. De klok leek even stil te staan. Ik ontdekte niets nieuws in de wereld – het ging enkel om een ervaring in mijn innerlijke zelf.
Sinds die ervaring ben ik daar, onbewust, altijd naar op zoek geweest wanneer ik weer op vakantie ging. Echt vaak ging ik niet op vakantie, want wat bleek: ik ben een waardeloze toerist. Vliegen vind ik verschrikkelijk. In een rij van meer dan twee wachtenden ga ik niet staan. Aan staplaatsen doe ik niet. Die (air)busdienst naar toeristische bezienswaardigheden wil ik zelfs zwartrijdend niet in mee. En tot slot: het enige wat irritanter is dan zand en kamperen, zijn toeristen.
Afgeschreven als toerist dus. Maar ook als reiziger?
De toerist ziet wat hij graag wilde zien, de reiziger ziet wat hij ziet.
— G.K. Chesterton
Toeristen weten niet waar ze zijn geweest; reizigers weten niet waar ze naartoe gaan.
— Paul Theroux
Toerisme is een bucketlist of een tijdelijke ontsnapping. Een foto van een plek die je nauwelijks hebt bekeken. Een all-in vakantie aan de rand van het zwembad.
Toerisme is kwantiteit. Reizen is intensiteit.
Er is met geen van beiden (tot op zekere hoogte) iets mis, maar het zijn twee heel verschillende dingen.
Reizen is voor een groot deel nieuwsgierigheid – en daar heb ik een emmer vol van.