Er wordt mij vaak verteld dat ik te veel nadenk.
Dat ik te veel analyseer.
Dat ik te veel bezig ben met zekerheid.
Dat ik moet leren loslaten.
Maar ik vraag me af of de mensen die dat zeggen ooit hebben gezien hoe snel veiligheid verdwijnt.
Ik ben opgegroeid in een gezin waar geld niet iets was dat je had.
Geld was iets waar je bang voor was.
Niet omdat wij dom waren.
Niet omdat wij lui waren.
Niet omdat wij boven onze stand leefden.
Maar omdat het leven soms simpelweg duurder was dan wat er binnenkwam.
Mijn moeder zat in de bijstand.
Dat wordt tegenwoordig vaak uitgesproken alsof daarmee alles gezegd is.
Alsof dat woord een verklaring is.
Alsof je daarna niet meer hoeft te luisteren.
Maar luister eens.
Van de vier kinderen die zij heeft opgevoed werken er vier.
Wij hebben niet geleerd hoe je profiteert van een systeem.
Wij hebben geleerd hoe kwetsbaar een bestaan kan zijn.
Mijn moeder zette de thermostaat op zestien graden.
Zestien.
Niet omdat ze milieubewust was.
Niet omdat ze Scandinavisch wilde wonen.
Niet omdat ze dacht dat afzien karakter vormt.
Omdat warmte geld kostte.
En zelfs dat bleek soms niet genoeg.
Na haar overlijden waren er schulden.
Niet voor vakanties.
Niet voor een nieuwe auto.
Niet voor luxe.
Voor huur.
Voor gas.
Voor water.
Voor licht.
Voor bestaan.
Dat is de werkelijkheid die ik ken.
Daarom word ik woedend wanneer ik mensen hoor praten over hoe gemakkelijk het hier zou zijn om van sociale voorzieningen te leven.
Dan vraag ik me af welke wereld zij gezien hebben.
Want ik heb die wereld nooit gezien.
Ik heb nog nooit iemand rijk zien worden van een uitkering.
Ik heb wel mensen arm zien blijven ondanks een uitkering.
Ik heb mensen gezien die hun verwarming lager zetten.
Rekeningen vooruit schoven.
Zich schaamden.
Zich kleiner maakten.
Zichzelf de schuld gaven van omstandigheden die groter waren dan zijzelf.
En toch hoor ik telkens weer hetzelfde verhaal.
Dat de arme mens verdacht is.
Dat de hulpbehoevende mens gecontroleerd moet worden.
Dat de zwakke mens eerst maar eens moet bewijzen dat hij zwak genoeg is.
Alsof mededogen iets is waar je een vergunning voor nodig hebt.
Ik ben een sociaal democraat omdat ik die wereld heb gezien.
Niet ondanks mijn verleden.
Maar dankzij mijn verleden.
Ik geloof niet in een samenleving die mensen afschrijft.
Ik geloof niet dat vriendelijkheid naïef is.
Ik geloof niet dat solidariteit zwakte is.
Ik geloof dat beschaving begint op het moment dat we besluiten mensen niet te laten vallen wanneer ze struikelen.
Toen mijn moeder stierf, liet ze geen vermogen na.
Ze liet schulden na.
En voor het eerst in mijn leven voelde het goed om nee te zeggen.
Nee tegen bedrijven, nee tegen instanties.
Nee.
Deze keer krijgen jullie haar niet, zeker niet na haar dood.
Misschien komt daar ook mijn behoefte aan zekerheid vandaan.
Mensen zeggen dat ik overal risico’s zie.
Dat klopt.
Want ik heb gezien wat er gebeurt wanneer risico werkelijkheid wordt.
Ik heb gezien hoe snel een mens kan vallen.
Ik heb gezien hoe weinig er soms nodig is.
Een rekening.
Een ziekte.
Een scheiding.
Een ongeluk.
Een paar verkeerde maanden.
Dat zijn mijn wolven.
En daarom klim ik in bomen.
Ik bouw buffers.
Ik maak plannen.
Ik analyseer.
Ik zoek patronen.
Niet omdat ik geobsedeerd ben door controle.
Maar omdat ik weet hoe de grond eruit ziet wanneer je valt.
Misschien is dat uiteindelijk wat ik wil dat mensen begrijpen.
Ik ben niet bang omdat ik de wereld niet ken.
Ik ben voorzichtig omdat ik haar wel ken.
En iedere keer dat iemand zegt dat ik moet ontspannen, vraag ik me af:
Heb jij ooit de wolven gezien?
